Home arrow Bijbelse lessen arrow Welke kerk? arrow Een kwestie van gehoorzaamheid.
Main Menu
Home
Waarom de Bijbel?
Bijbelse lessen
Misverstanden
Brood des Levens
Vragen beantwoord
Gedichten & liederen
English!
Zoeken op woord(en)
Contact
Verkrijgbare boeken
Brochures
Over de schrijver
Bijbelkringen
Artikel v/d maand
Inschrijven broodje






Een kwestie van gehoorzaamheid. Print E-mail
Written by J.Ph.Buddingh   


Samen, als de discipelen, die dag na de sabbat.

Hoe moet dat?


Die dag na de sabbat.

Heel vroeg in de morgen was Maria van Magdala naar het graf gegaan, waarin zij, nog net vóór de sabbat begon, het lichaam van Jezus Christus, haar Heer, hadden gelegd. Op die sabbat had zij gerust, zoals in de wet was voorgeschreven, maar innerlijk had zij geen rust gekend. De Heer had haar van zeven boze geesten bevrijd, maar Hij was gestorven en ze hadden Hem wegens de komende sabbat haastig  begraven, te haastig. Daarom was zij op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, reeds naar het graf gegaan.

Wat dacht zij daar te doen? Het graf was met een zware steen gesloten. Als zij meende, dat de begrafenis te haastig had plaats gevonden en dat er nog een en ander met specerijen te doen was, zou ze wel ontdekken, dat ze niets kon beginnen. Zonder hulp zou zij immers onmogelijk de steen kunnen wegrollen.
Maar daaraan dacht zij niet. Zij zocht haar Heer, omdat zij Hem boven alles liefhad, zelfs als gestorvene. Niet haar verstand, maar de liefde dreef haar.

Toen zij bij het graf gekomen was, bleek dat de steen was weggerold en dat het lichaam er niet meer lag. Een man vroeg haar, waarom zij huilde. Zij dacht dat ze de tuinman voor zich had en zei: zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. Daarop noemde de Heer haar naam en zij herken-de Hem. (Johannes 20:15).
Maria zou een dode beslist niet kunnen dragen. Maar uit haar woorden blijkt, dat zij niet door verstandelijke overleggingen, maar door haar hart gedreven werd. De liefde tot de Heer beheerste haar handelen en haar spreken.

Op de avond van die dag waren de discipelen bij elkaar. Wat een dag was dat geweest! Eerst was er de ontzetting over de kruisiging en het lijden van de Heer geweest, gevolgd door de haast automatische handelingen bij zijn begrafenis, verlamd en verdoofd als zij waren door verdriet en verbijstering. Daarna de sabbat, de rustdag, die voor hen  eerder een dag van storm in de ziel was geweest.
En toen was de eerste dag gekomen, die reeds vroeg was begonnen met de meest wonderlijke, haast ongelooflijke din-gen.
Heel vroeg in de morgen was Maria met de mededeling gekomen, dat het graf geopend was en dat het lichaam er niet meer was. Johannes en Petrus hadden gezien, dat het waar was, en ook de vrouwen, die met specerijen naar het graf gegaan waren. Bovendien hadden zij engelen gezien, die hun gezegd hadden, dat Hij was opgestaan.
Maria had Hem ontmoet, Hij was aan Petrus verschenen en Cleopas en zijn vriend hadden Hem bij de broodbreking herkend.

Wat een dag, die vroege morgen,
toen het graf geopend bleek,
waar de Meester was geborgen,
toen het al verloren leek.
Wat een dag,
toen zij Hem zag
en na Jezus’ eerste woorden
ook haar naam “Maria” hoorde.

Wat een dag, toen  twee tezamen,
van Jeruzalem naar huis,
onderweg Hem tegenkwamen
en Hem pas herkenden thuis.
Bij het brood,
dat Hij hun bood,
kon het geen geheim meer wezen:
Jezus Christus was herrezen.

Maar ook die dag, vol verwarrende, verbazingwekkende en verblijdende dingen, was voorbijgegaan en op de avond waren de discipelen bijeen. Wat bracht hen bij elkaar?
Hun liefde tot de Heer.
Zij waren zeer verschillend. Vóór het verraad van Judas had-den zij nog getwist over de vraag, wie van hen de belangrijkste was, een geschikt onderwerp om mensen uit elkaar te drijven. Maar op de avond van die dag was niemand van hen bezig met de vraag, welk nummer hij op de ranglijst had. Zij waren die avond bijeen omdat allen slechts aan die Ene dachten.
De engel bij het graf had tegen de vrouwen gezegd, dat Hij hun voorging naar Galilea en dat zij Hem daar zouden zien (Mattheüs 28:7). Hij had hun geen opdracht gegeven om op die dag samen te komen.
Maar dat was ook niet nodig geweest. Hij, die beloofd had voor hen een plaats in het vaderhuis te bereiden, die hen zijn vrienden genoemd had en die in zijn gebed gezegd had, dat Hij hen altijd bij zich wilde hebben, was niet aanwezig, toen zij bij elkaar kwamen, maar Hij was wel in aller hart en gedachten en er is geen gebod of bevel nodig om als familie samen te komen, als het gaat om een geliefde, met wie allen vervuld zijn. Dat is bij een begrafenis het geval, bij een huwelijk en ook bij een geboorte. Zou dat dan niet hetzelfde zijn, als een gestor-ven geliefde uit de dood blijkt te zijn teruggekeerd?

Waar zouden ze over gesproken hebben?

Over de Heer natuurlijk. vooral over zijn lijden en sterven, want dat had een heel diepe indruk gemaakt. Maar ook over zijn opstanding, hoewel hun gesprek daarover een beetje verward moet zijn geweest. Verwonderd en geboeid zullen ze naar het verslag van de twee uit Emmaus geluisterd hebben.
Was het dus echt waar en helemaal zeker, dat Hij was opge-staan? Was er over zijn lijden en over zijn opstanding in de Schriften zoveel te vinden, als Hij aan die beiden verteld had en hadden zij  zoveel over het hoofd gezien of verwaarloosd?
Terwijl zij zo spraken, stond Hij plotseling in hun midden, hoewel de deuren gesloten waren. En Hij zei ‘vrede zij u’. Daarbij toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. En zij zagen de wonden en wisten zeker, dat het de Heer was, en zij ver-blijdden zich.
Wat een samenkomst is dat geweest! De discipelen met de opgestane Heer in het midden.

Wat een dag, toen zijn verschijnen
als de opgestane Heer
 in het midden van de zijnen
 plaats vond voor de eerste keer.
 Ja, Hij leeft
en Jezus geeft
ons de tek’ nen van zijn lijden
dat wij zien en ons  verblijden.

Acht dagen nadien

Een week later waren de discipelen weer bijeen, deze keer met Thomas erbij. Hij was de vorige maal thuisgebleven. Hij had niet willen geloven, dat de Heer was opgestaan en dat zij Hem gezien hadden. Maar ook op die eerste dag van de week kwam de Heer in hun midden, hoewel de deuren gesloten waren. En Thomas zag Hem met eigen ogen en hij geloofde.
Wat bracht de discipelen die keer samen?
Net als de vorige maal was dat hun liefde tot de Heer. Vrienden kunnen veel te bepraten hebben, maar nooit hadden vrienden meer te bepraten dan deze discipelen van de Heer Jezus. En waar zijn vrienden zo intens met Hem bezig waren, kwam de Heer weer bij hen. Hij stelde hen niet teleur.

Nu, meer dan 1900 jaren later.

Er zijn sindsdien vele eerste dagen van de week voorbij ge-gaan. Als we 1970 jaren rekenen en dat met 52 vermenigvul-digen, komen we op 102.440 eerste dagen. Dat is een respectabel aantal.
Stel je eens voor, dat de discipelen de komende zondag op-nieuw konden samenkomen, zou de Heer dan weer in het mid-den komen? Dat lijkt teveel gevraagd, of niet soms?
Dat is niet teveel gevraagd en het hoeft niet gevraagd te wor-den, want de Heer heeft in Mattheüs beloofd: ‘Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in het midden van hen’. (18:20).
In zijn naam vergaderd zijn, is niet een toevallige ontmoeting van gelovigen, bijvoorbeeld op een camping of in een treinwagon. Dat zou moeten heten ‘vergaderd tot ontspanning’, of ‘vergaderd als treinreizigers’. Gelovigen zijn vergaderd tot zijn naam, als niet een andere zaak hen bijeenbracht, maar het feit, dat zij in Hem geloven en met Hem bezig willen zijn. We kunnen ook zeggen: gelovigen zijn vergaderd tot zijn naam, als zij als gemeente samenkomen met geen andere binding dan de belijdenis van en het geloof in de naam van de Heer Jezus. Aan dat samenzijn heeft de Heer de belofte verbonden, dat Hij in het midden is.

Is dat niet heel bijzonder? Hij kwam twee maal op de eerste dag van de week (zover wij uit de Schrift weten) in het midden van hen, die alleen met Hem bezig waren en doet dat nog steeds. Hoe zouden wij, zijn discipelen van nu, dan doen wat Thomas gedaan heeft, afwezig blijven, zodat wij Hem niet zouden zien, zoals Thomas? Dat is toch ondenkbaar.


Stel dat een zekere gelovige erg trouw is en vanaf zijn vijftiende tot zijn vijfenzeventigste jaar in de naam van de Heer Jezus met anderen vergadert. Dan zou hij 3120 maal aanwezig zijn geweest. Maar wat is dat bij de meer dan 102.000 maal, dat de Heer aanwezig was? Bovendien, was het een straf om te komen, waar de Heer in het midden kwam? Dat zou vreemd zijn. Dan is kennelijk de liefde niet erg warm meer. Wat dan, als de Heer ons allemaal opneemt en voor eeuwig bij zich doet wonen? Dat moet dan een minder prettig vooruitzicht wezen. Als dat allemaal zo is, moet er wel iets grondig mis wezen, veel meer mis dan bij Thomas.

De Heer heeft het gezag.

‘Daar ben Ik in het midden van hen’.
Dat heeft de Heer gezegd om duidelijk te maken, wie die ge-meente van gelovigen kracht en gezag verleent. Want men kan de belijdenis van de naam des Heren vanzelf niet combineren met ongerechtigheid en zonde. Waar dat toch gebeurt, kan de Heer niet wonen en kan Hij ook niet zeggen: vrede zij u. Er zal dus kracht en gezag moeten zijn om zonodig op te treden en ongerechtigheid buiten te sluiten. Nu, het gezag ligt bij Hem. En de gemeente moet dat gezag in zijn naam uitoefenen. In zijn naam, dat betekent op de wijze zoals Hij dat zou doen, naar zijn Woord.

Zeven weken later.

Zeven weken na de opstanding van de Heer Jezus was het de dag van het Joodse pinksterfeest. Dat feest begon op de dag na de sabbat, zoals we in Leviticus 23 vers 16 kunnen lezen. Op die eerste dag van de week waren de discipelen weer bijeen: ‘Toen de dag van het pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen aan één plaats bijeen’ (Handelingen 2:1).
Het lijkt er op, dat de discipelen er een gewoonte van maakten om op een eerste dag van de week samen te komen. In Handelingen 20 lezen we ‘En op de eerste dag van de week, toen wij vergaderd waren om brood te breken, sprak Paulus tot hen’ (Vers 7). Dat was veel jaren later.
Op die pinksterdag gebeurde er weer iets bijzonders. De discipelen die samengekomen waren, ontvingen op die dag de Heilige Geest, de vervulling van de belofte van de Heer. En door de kracht van die Geest van God verkondigden zij de grote werken van God in allerlei vreemde talen.
Die dag hoeft niet herhaald te worden. De Heilige Geest is ge-komen en zal bij ons blijven, zoals de Heer heeft gezegd (Johannes 14:17). Ieder, die gelooft, ontvangt die Geest en wordt daarmee door God verzegeld (Handelingen 2:38 en Efeze 1:13). Men hoeft niet om die Geest te bidden, zoals de discipelen ongetwijfeld vóór de pinksterdag hebben gedaan, want God heeft die belofte reeds vervuld.

De gelovigen waren aanvankelijk alleen Joden. Maar zelfs nadat Paulus zijn bekende zendingsreizen had volbracht en vele gemeenten der Heidenen ontstaan waren, hielden de Joodse gelovigen zich nog aan de wet van Mozes, zoals in Handelingen 21:20 te lezen is: ‘Gij ziet, broeder, hoe vele tien-duizenden van Joden er zijn, die geloven en zij zijn allen ijver-aars voor de wet’. Die mensen hebben uiteraard ook de sabbat gehouden en op die dag gerust. Dat weerhield hen echter niet om op de eerste dag van de week als christenen te vergaderen, temeer daar zij op de sabbat een andere samenkomst hadden, namelijk in de synagoge.
Er is ongetwijfeld geen vermenging van de sabbat met de eerste dag geweest, evenmin een verwisseling. De sabbat was en bleef de zevende dag, maar de dag van de opstanding, van een nieuw begin door Jezus Christus, was de eerste dag.
En daarin is sindsdien niets veranderd.

Er zijn nog steeds Joden, die de sabbat houden. Maar op de eerste dag van de week mogen zij die in Jezus Christus gelo-ven, in zijn naam samenkomen en weten, dat Hij in hun midden is. Wat drijft hen? Als het goed is hun liefde tot de Heer, zoals in het begin. Wat zoeken zij en waarover spreken en zingen zij? Hun Heer, die voor hen gestorven en opgestaan is.
Zij zien Hem niet zoals Hij die eerste en tweede maal werd gezien. Maar in brood en beker toont Hij hun wel de tekenen, die net zo spreken als de wonden in zijn handen en zijn zijde. En zij kunnen, net als Thomas, Hem aanbidden als hun Heer en hun God. De Vader zoekt ook aanbidders, die Hem aanbidden in Geest en in waarheid (Johannes 4:23).

De wet had voor iemand die tussen de regels door kan lezen, al reden gegeven om te vermoeden, dat de eerste dag van de week, de dag na de sabbat, in Gods dagrekening een bijzonde-re plaats moest hebben of krijgen. Want de eerste korenschoof, die elk jaar als beweegoffer in het heiligdom getoond werd, moest niet op de sabbat, maar op de dag na de sabbat in het heiligdom getoond worden. En op het daarop volgende feest der weken, zeven weken later, moesten twee broden gebracht worden, niet op de sabbat, maar op de dag na de sabbat. Er moest dan ook een heilige samenroeping plaats vinden. Zie daarvoor Leviticus 23:10-21. Waarom op die dag?
Omdat het om iets nieuws ging. Op de dag, waarop die eerste korenschoof bewogen werd, is de Heer opgestaan en op de dag waarop de twee broden gebracht werden, werd met de uitstorting van de Heilige Geest de gemeente geboren. Een nieuw begin, leven uit de dood, door Jezus Christus. Daarvan spreekt die eerste dag tot op heden. Of is hij voor u alleen een vrije dag?

De Heer had het voorzien.

Ja, de Heer heeft het allemaal geweten. En Hij heeft gedacht aan de vele jaren, die nog zouden komen, waarin de gelovigen bij elkaar zouden zijn. Zij konden dat niet voorzien, maar Hij wist, dat Hij naar zijn Vader zou terugkeren en dat er een zekere leegte zou zijn, als Hij niet meer zichtbaar in hun midden zou verschijnen. Er zou daardoor bovendien het gevaar zijn, dat ze zouden vergeten, hoe zij verlost waren. Daarom heeft Hij in de laatste nacht, waarin Hij voor zijn gevangen-neming met zijn discipelen samen was, het avondmaal inge-steld. Doet dat tot mijn gedachtenis, heeft Hij daarbij gezegd.
Zoals we al overdacht hebben, heeft Hij ons daardoor tekenen gegeven, die van zijn lichaam en zijn bloed, dat is van Hem en van zijn dood spreken. Wat een zegen, dat de Heer ons dat gegeven heeft, wat een zegen, dat Hij ons in die tekenen tel-kens zijn wonden laat zien, wat een zegen, dat Hij ons daar-door telkens tot bij het kruis brengt. Het is bijna vanzelfspre-kend, dat we dat avondmaal vooral vieren op de dag, waarop we als christenen gewoonlijk samenkomen, dat is op de eerste dag van de week.

In het evangelie van Lukas lezen we, dat er onder de discipelen twist ontstond over de vraag wie de meeste van hen was (Lukas 22:24). Het lijkt vreemd, dat de Geest van God ons dat treurige feit meedeelt als we over de instelling van het avondmaal lezen. Is dat nu een geschikte gelegenheid om over dat falen van de discipelen te schrijven?
Zou het niet zijn om ons te waarschuwen, ons een spiegel voor te houden? Zij waren met dat dwaze onderwerp bezig vlak voor het lijden van de Heer. En het valt te vrezen, dat ook wij, als brood en wijn ons bepalen bij Zijn vernedering tot in de dood, in ons denken bezig kunnen zijn onszelf te verhogen boven broeders en zusters. Hoe beschamend is dat.
Of zouden wij beter zijn dan de discipelen? Vast niet.
O nee, het staat er niet voor niets. De Heer heeft ongetwijfeld geweten, dat onze zwakheden en fouten dezelfde zijn, als zijn discipelen toen hadden. We zijn gewaarschuwd, en wie kan zeggen, dat hij die waarschuwing niet nodig heeft?

Hoe de Heer het in zijn huis wil hebben.

Op Gods tijd werd ook aan de heidenen het evangelie gepredikt. Velen van hen kenden de Joodse geschriften niet en waren geneigd zich in hun samenkomsten te laten leiden, door wat ze eertijds in de wereld gekend hadden. Met name in Korinthe deden zich misstanden voor. De apostel Paulus heeft de gelovigen daar geschreven over de wijze, waarop zij zich in de gemeente, dat is Gods huis op aarde, moesten gedragen en ze bekend gemaakt met de wil van de Heer voor zijn huis. Aangezien de eerste brief aan Korinthe nadrukkelijk ook gericht is aan ‘allen, in elke plaats, die de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen’, geldt hetgeen de apostel over de gemeen-te geschreven heeft, niet alleen voor de Korinthiërs, maar voor alle gelovigen, waar dan ook.
Hij heeft meerdere onderwerpen aan de orde gesteld:

Geen naam tot onderscheiding van anderen.

1) De Heer keurt verdeeldheid, scheuring en sekten af. (We moeten niet veronderstellen, dat de Heer afscheiding wegens boze dingen ook afkeurt. Dat is een ander onderwerp.) Zich ge-scheiden van andere gelovigen opstellen op grond van voor-keur, sympathie of iets van die aard, zich afscheiden om een andere reden dan om gemeenschap met zonde te verbreken, is verkeerd. Christus is niet gedeeld, de gemeente is één en in het huis van God behoren eensgezindheid en onderwerping aan Christus te heersen. De apostel schreef: ‘Ik vermaan u, …. dat er onder u geen scheuringen zijn… hiervan spreek ik, dat een ieder van u zegt: Ik ben van Paulus en ik van Apollos, en ik van Cephas…’ (1:10 en 12). En in het derde hoofdstuk: ‘daar er afgunst en tweedracht onder u is, zijt gij niet vleselijk?’ (vers 3).
Wij zullen ons dus niet van andere gelovigen onderscheiden door een naam aan te nemen en ons evenmin van andere gelo-vigen losmaken om andere reden dan om ons van ongerech-tigheid los te maken.

Ongerechtigheid moet verwijderd worden.

2) Zonde in de gemeente mag niet ongeoordeeld blijven. Als de bedrijver van ongerechtigheid in zijn kwaad volhardt, moet hij uit het midden weggedaan worden: ‘Laat ons feestvieren, niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurd brood van oprechtheid en waarheid’ (5:8), en ‘doet de boze uit uw midden weg’ (vers 13).
Hoe dat moet gebeuren, heeft de Heer in Mattheüs 18 gezegd: ‘Bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, hebt gij uw broeder gewonnen. Maar indien hij niet hoort, neem nog één of twee met u, opdat door de mond van twee of drie getuigen alle woord zal bestaan. En indien hij naar hen niet horen wil, zeg het aan de gemeente; en indien hij naar de gemeente niet wil horen, zo zij hij u als de heiden of de tollenaar’ (15-17)
We behoren precies te doen, wat de Heer heeft gezegd. Veelal bewandelt men een andere weg en gaat men overleggen, be-spreken, confereren enzovoort, zodat men vaak maandenlang met zaken van ongerechtigheid bezig is. De gelovigen worden daardoor verontreinigd en verlamd, weten over niets anders meer te spreken en wekken bij de jonge mensen de indruk, dat ruziën het opvallendste kenmerk van de betrokken groepering is. Men moet zich niet verbazen, als zij elders de rust zoeken.

Zo nodig zichzelf uitzuiveren.

Maar wat te doen, als de gemeente niet handelt naar de woorden van de Heer en de ongerechtigheid niet uit het midden uitzuivert?
Dan zal de gehoorzame christen zichzelf moeten uitzuiveren.
In 1 Korinthe 5:7 staat: ‘zuivert het oude zuurdeeg uit’. In 2 Timotheüs 2 vinden we dezelfde uitdrukking: ‘indien iemand zichzelf van dezen reinigt (uitzuivert), die zal een vat tot eer zijn, geheiligd, bekwaam tot gebruik des Meesters’.
In beide teksten hetzelfde woord. Het resultaat is in beide ge-vallen ook hetzelfde, dat de gehoorzame christenen niet meer met kwaad verbonden zijn, maar geheiligd, dat is afgezonderd zijn. De apostel had in 2 Timotheüs 2:19 al geschreven, dat ieder die de Heer aanroept of belijdt, met ongerechtigheid moet breken. Hier, in vers 21, maakt hij duidelijk, dat we niet slechts met ongerechtigheid in eigen leven moeten breken, maar ook niet met de ongerechtigheid bij anderen verbonden mogen blijven.
Zoals men veelal te lang aarzelt in een geval als in 1 Korinthe 5, aarzelt men in een geval als in 2 Timotheüs eveneens, en gewoonlijk nog langer. Men voert eindeloze gesprekken, schrijft talloze brieven, neemt besluiten, maar voert ze niet uit, omdat de consequenties zo moeilijk zijn: families zouden gescheiden kunnen worden, de breuklijn zou door een gezin heen kunnen lopen, lieve vrienden moet men loslaten. Dat leidt er toe, dat men wacht en wacht en uitwegen zoekt om de schade te beperken. En men heeft niet door, dat er daardoor nog meer geschillen ontstaan en de schade alleen maar groter wordt. Vooral jongeren ergeren zich mateloos aan het jarenlange twisten en schipperen. Ze krijgen de indruk, dat het niet meer gaat om de wil van de Heer, maar om eigen belangen en om eigen gelijk, en vaak is dat inderdaad het geval. Dat heeft in veel gezinnen een verwoestende uitwerking.
Bovendien wordt gedurende die tijd teveel geestelijke energie in een verkeerde richting aangewend en blijft het noodzakelijke evangeliewerk en het herderlijke werk liggen. En dat alles is het gevolg van berekenen of gehoorzamen wel voordelig is, in plaats van eenvoudig gehoorzamen.

Broodbreken betekent gemeenschap.

3) In hoofdstuk 10 heeft Paulus over gemeenschap aan de tafel des Heren geschreven en over gemeenschap aan een andere tafel (van de afgoden). Hij schreef: ‘Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een ge-meenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood. Ziet, hoe het gaat bij het Israël naar het vlees: hebben niet zij, die de offers eten, gemeenschap met het altaar? Wat wil ik hiermede dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is? Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan boze geesten en niet aan God en ik wil niet, dat gij in gemeenschap komt met de boze geesten. Gij kunt niet de beker des Heren drinken en de beker der boze geesten, gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben en aan de tafel der boze geesten’ (verzen 15-21).
We zien daaruit, dat we aan de tafel des Heren gemeenschap met de Heer en met elkaar tot uitdrukking brengen. Aan een  tafel, die aan een afgod gewijd is, zouden we  evenzeer ge-meenschap tot uitdrukking brengen, maar dan met boze gees-ten. Aan een tafel in deze of gene kerk geven we eveneens uitdrukking aan gemeenschap met hen, die daar met ons aan-zitten en met hun leer en leven.
Sommigen menen, dat men zich door deelname aan de brood-breking in allerlei groeperingen niet met de daar heersende toestanden één maakt, aangezien dat laatste alleen voor de tafel des Heren zou gelden. Maar Paulus maakt ons hier duide-lijk, dat gemeenschap aan een ‘verkeerde’ tafel wel degelijk ‘gemeenschap’ betekent. Het is één van de redeneringen om zo ruimhartig mogelijk te kunnen handelen en daarbij te verdedi-gen, dat men aan de eis van ‘heiligheid’ blijft voldoen. Meestal probeert men zo de goedkeuring van mensen te verwerven. Men moest zich meer bezorgd maken om goedkeuring door de Heer! (Omgang met andere gelovigen en een bijbelbespreking met hen betekenen niet zich met hen eenmaken.)

Gaven zijn tot opbouwing van het geheel.

4) In hoofdstuk 12 heeft de apostel geschreven over de ver-schillende gaven, die de Heer in de gemeente geeft: ‘Aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot hetgeen nuttig is. Want aan de een wordt door de Geest gegeven het woord van wijsheid, en aan een ander het woord van kennis volgens dezelfde Geest; en aan een ander geloof door dezelfde Geest, en aan een ander genadegaven van genezing door dezelfde Geest…’ (vers 7-9).
De gaven zijn alle bedoeld tot nut van het geheel. Ze zijn niet bedoeld tot nut van hem die de gave heeft. De Heer heeft niet aan één persoon in een plaatselijke gemeente de taak gegeven om alle dienst te verrichten, maar heeft aan meerderen ver-schillende gaven gegeven. Elk is geroepen zijn gave te gebrui-ken tot nut en stichting van het geheel. Maar niemand is geroe-pen een gave te gebruiken, die de Heer hem niet heeft gege-ven. En elkaar benijden om een gave is geheel verkeerd en be-wijst, dat men eigen eer op het oog heeft in plaats van stichting van de gelovigen.

Vreemde talen een teken voor ongelovigen.

5) In hoofdstuk 14 maakte de apostel duidelijk, dat de gave om in vreemde talen te spreken, als een teken voor ongelo-vigen bedoeld is en niet voor gelovigen gebruikt moet worden, dus ook niet om zichzelf te stichten of om God te prijzen of iets van die aard: ‘Zo zijn dan de talen tot een teken, niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen’ (vers 22). Wie over dit onderwerp uitvoeriger wil worden voorgelicht, zal op aanvraag een brochure ontvangen.

Geen voorganger voor gemeente X.

6) In de verzen 26-33 lezen we, hoe het in de samenkomsten van de gemeente behoort te gaan: ‘ieder van u heeft een psalm, heeft een leer, heeft een taal, heeft een openbaring, heeft een uitlegging; laat alle dingen geschieden tot stichting’. De Heer heeft dus niet een voorganger voor een gemeente gegeven, maar wil, dat de gelovigen (meervoud) hun gaven tot nut van het geheel gebruiken. Aangestelde voorgangers zijn een uitvinding van de mensen, die we niet in de Schrift vinden.

In de brieven aan Timotheüs en Titus vinden we aanwijzingen voor oudsten of opzieners en diakenen. Oudsten werden niet door de gemeente gekozen, diakenen wel. De oudsten werden door de apostel of een door hem aangewezen medewerker aangesteld, want de Heer beslist zelf, wie herder over zijn kudde kan zijn. Daarentegen mogen de gelovigen zeggen, wie het door hen gegeven geld mag beheren.
Over het aanstellen van voorgangers of predikanten is niets te vinden. Als de Heer bedoelt, dat er een voorganger wordt aangesteld, had Paulus het in de brief aan Timotheüs zeker behandeld. Het is kennelijk niet wat de Heer wil.

De vrouwen behoren in de gemeente te zwijgen, een gebod van de Heer.

7) In de verzen 34 tot 40 schrijft de apostel, dat de vrouwen in de gemeente behoren te zwijgen. Er wordt wel gezegd, dat dit voorschrift alleen voor Korinthe gold, maar juist deze brief is niet alleen aan de Korinthiërs geadresseerd, maar aan allen, die geloven (zie de aanhef van de brief). Bovendien schreef Paulus aan Timotheüs ‘De vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid; doch ik laat aan een vrouw niet toe, dat zij leert, noch over de man heerst, maar ik wil, dat zij in stilheid zal zijn. Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva; en Adam is niet verleid, maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest’ (1 Timotheüs 2:11-14).
Deze woorden tonen ook aan, dat dit voorschrift niet alleen op gehuwde vrouwen slaat, zoals sommigen beweren, want Paulus verwijst daarin niet naar de staat in het huwelijk, maar naar de schepping en de zondeval. Maar de Heilige Geest heeft voor-zien in de tegenstand, die tegen dit gebod zou ontstaan en de apostel in dit gedeelte laten schrijven: ‘Indien iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, hij erkenne, dat hetgeen ik u schrijf des Heren gebod is’. Er is geen ander voorschrift, waar-aan ook iets dergelijks is toegevoegd en dat laat ons zien, dat we met dit voorschrift absoluut niet mogen marchanderen.

De samenkomst om Gods Woord te horen.

Paulus heeft daarover in 1 Korinthe 14 het volgende geschre-ven: ‘Wanneer gij samenkomt heeft een ieder van u een psalm, een leer, een taal, een openbaring, een uitleg. Laat alle dingen geschieden tot stichting. En zo iemand in een taal spreekt, door twee, of ten hoogste drie, en bij beurte, en één moet het uitleg-gen. Maar als er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de gemeen-te en dat hij tot zichzelf spreke en tot God. En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen’ (verzen 26-30).
Niet één aangestelde voorganger dus, maar vrijheid voor de Geest van God om te gebruiken wie Hij wil. (Dat dit geen vrijbrief voor willekeur van de gelovigen betekent, spreekt vanzelf.)
De apostel wekte de gelovigen op elkander vooral te dienen met profetie, dat is het spreken van Gods Woord. Spreken in talen trachtte hij af te remmen, hoewel hij het niet verbood. Voorwaarde is echter wel, dat het vertaald wordt en tot stichting van het geheel dient. Hijzelf sprak in de gemeente niet in talen, omdat zij bedoeld zijn als teken voor ongelovigen (vers 19), met name voor ongelovig Israël. Doordat het evangelie in tallo-ze talen verkondigd wordt en God dus al die talen gebruikt in plaats van het Hebreeuws, gaat het teken van de talen voor Israël tot op de huidige dag door, het teken, dat God Israël en hun taal niet meer gebruikt, omdat zij onder Gods toorn liggen.
Zijn slotwoord in dat hoofdstuk is: ‘zo dan, broeders, ijvert om te profeteren (het Woord van God toepasselijk aan de hoorders voorhouden.) en verhindert het spreken in talen niet, maar laat alle dingen welvoeglijk en met orde geschieden’.

Een waarschuwing van Johannes.

Johannes heeft in zijn tweede brief geschreven, dat een gelovige niet iemand moet ontvangen, die de Vader en de Zoon loochent, dat is de volkomen Godheid van Christus ontkent. Hij schreef: Wie tot hem zegt ‘weest gegroet’ heeft gemeenschap met zijn boze werken.
Met iemand het brood breken aan een Avondmaalstafel gaat veel verder dan vriendelijk groeten of thuis ontvangen. We ontvangen vaak ongelovigen in onze woning, wat de Heer niet afkeurt, maar we zullen met zo iemand niet het avondmaal vieren. Als vriendelijk groeten of thuis ontvangen van hem, die wel christen heet, maar in zonde leeft, gemeenschap met zijn werken betekent, hoeveel temeer als we met hem avondmaal vieren. Wie meent dat toch te kunnen doen, handelt in strijd met het Woord en de wil des Heren en tekent zichzelf daarmee als een ongehoorzame. Hoewel we ons niet boven zulke gelo-vigen mogen verheffen, kunnen we met hen niet het brood bre-ken. We zouden hun daardoor immers de indruk geven, dat hun houding juist en gepast is en hen stijven in hun verkeerde opstelling.

Toen de Heer de discipelen vroeg, of zij ook niet wilden heen-gaan, antwoordde Petrus: Tot wie zullen wij heengaan? U hebt de woorden van eeuwig leven. Die woorden mogen we wel overwegen, als we ons de vraag stellen, welke samenkomsten we zullen bezoeken. Moeten we niet daar zijn, waar Hij is en waar zijn Woord beslissend is?
Er zijn er, die geen lust hebben om over deze dingen na te denken, omdat ze een afkeer hebben, van wat naar hun mening ouderwets is. Zulke lieden zijn zeer te beklagen, daar zij lijden aan de nationale kwaal, progressivitis, waartegen nagenoeg geen kruid gewassen is.
Anderen menen, dat men de zaken niet zo nauw moet nemen. Dat was ook de mening van koning Saul. Hij liet dus Agag, de koning van de Amalekieten, leven en spaarde een kostbare kudde vee. Daarom heeft God hem verworpen (1 Samuël 15:23).
Dan zijn er nog, die zonder Gods Woord te raadplegen gaan luisteren, zien en proeven. Zij bezoeken allerlei bijeenkomsten en waar het hun het beste bevalt, blijven zij hangen. Dat blijkt tegenwoordig dikwijls daar te zijn, waar de dienst aan de smaak van de moderne jongere is aangepast. Men tracht hen te bin-den met muziek, waarin een drumstel geen geringe rol toebe-deeld krijgt. Het is inderdaad een soort succesformule, wanneer succes wordt afgemeten naar de aantallen bezoekers. Hoe aanbidding in Geest en in waarheid met dergelijke luidruchtige toevoegingen te rijmen is, lijkt de voorstanders niet te deren. Evenmin hoe het te combineren valt met het luisterend zitten aan Jezus voeten om naar zijn woord te horen.
De ex diskjockey Joe Schimmel schreef in “Visie” (2004, 46) dat de satanist en kindermisbruiker Crowley honderd jaar terug al verkondigde, dat de jeugd zou kunnen worden ingepalmd door drugs, vrije sex en het gebruik van het drumstel. Dat hoort niet thuis waar gelovigen om de Heer vergaderd zijn. Wees radicaal en wijs het af.
Geheel anders is hetgeen Paulus bij zijn bekering gevraagd heeft: Wat moet ik doen, Heer? Het antwoord heeft hij niet door proeven en uitproberen gekregen, maar door de woorden van de Heer. Hij heeft daarvan gezegd: ‘Daarom ben ik dat hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest’ (Handelingen 26:19).
Kunnen wij dat de apostel nazeggen?

(Een samenkomst om aan ongelovigen het evangelie te verkon-digen heeft natuurlijk een ander karakter dan het samenkomen van de gemeente in Jezus’ naam.)

J.Ph.Buddingh  

Last Updated ( Tuesday, 18 March 2008 )