|
Zij schepten het water dar wijn blek te wezen, U weende toen U al die wenenden zag, want hem die zo ziek was, had U niet genezen, U wekte hem op uit het graf op die dag. U waste de voeten, ook van de verrader die u zo bedriegelijk kuste die nacht; U deed heel de wil van uw hemelse Vader en hebt zo het werk van verlossing volbracht. Veelkleurig in schoonheid, vernederd, verheven, de Zoon in wie God enkel heerlijkheid ziet. U wilt in de hemel uw krachten nu geven aan ons die wel willen, maar doen dikwijls niet. U bidt voor de uwen en wilt hen bewaren in trouw aan Gods wil en in trouw aan uw woord. Van buiten de vijand, van binnen gevaren, U draagt ons en bidt, en zo kunnen wij voort.
|