|
Eertijds dood in vele zonden, kind’ ren van Gods gramschap tot zijn gena ons had gevonden, en nu kinderen van God. Opgewekt met Christus, leven wij nu waar de Heiland leeft; God heeft ons die plaats gegeven waar Hij hemelzegen geeft.
Satan zendt zijn boze horden, die ons roven wat God gaf. Om ons arm te laten worden neemt hij ons Gods zegen af. Eeuwige verlossing, vrede, zekerheid van ons behoud, het moet wijken voor de rede, grond waarop het vlees vertrouwt. Volk dat uit de hand wil drinken, Jezus zegt: Sta op, volg Mij. Laat Gods Woord als hoorn weer klinken, breek de kruik! Niet ik, maar Hij. Laat de fakkel Gods weer schijnen, ’t licht van Jezus en het Woord, want de vijand zal verdwijnen, als hij Jezus ziet en hoort. Spoedig in het nacht’ lijk donker komt de Heer, de Morgenster. Nog is er het stergeflonker, maar de dag is niet meer ver. Sta dan vast, gord aan de waarheid, neem Gods Woord als machtig zwaard, bid om licht en bid om klaarheid, dat de Heer voor listen ons bewaart. Er is nog geen wapenstilstand, satan legt geen wapens neer; Jezus overwon die vijand, ’t eind is niet onzeker meer. Neem daarom Gods wapenrusting, ’t pantser van gerechtigheid, geen aanvaarden, geen berusting, maar gelovig in de strijd. Spreek van kruis, verzoening, vrede, met de helm des heils op ’t hoofd. Neem het zwaard des Geestes mede, Jezus heeft de zeeg’ beloofd.
|