|
Hij zendt de waterstromen naar de beken, wie kent zijn sterkte en zijn grote macht? De hemel zelf is nog te klein gebleken voor Hem die alles heeft tot stand gebracht. Zijn troon en glans gaan schuil achter de wolken, het zonnelicht is bij Hem duisternis. Als stof, als niets zijn voor Hem alle volken wiens weg zo groot in liefd’ en luister is. Hij spreekt een woord en doet de winden waaien, Hij jaagt zijn pijlen langs de donk’ re lucht, Hij laat de hemel hagelstenen zaaien waarvoor de sterkste held onmachtig vlucht. Zoals een blad, door stormwind voortgedreven, onmachtig, willoos, speelbal van de wind, zo is een ieder die God wil weerstreven en van zijn macht een zucht slechts ondervindt. Immanuel, Hij wild’ op aarde komen, toond’ in vernedering zijn heerlijkheid, Hij heeft een knechtsgestalte aangenomen en zich geofferd in gehoorzaamheid. O grootheid Gods, op Golgotha t’ ontwaren, o liefde, die aan boze zondaars dacht en die zich gaf om ons te kunnen sparen, hoe machtig is uw woord: “het is volbracht”.
|