|
Hadden wij iets goeds van God te wachten, waren wij niet vijandig gezind, mensen die Gods Zoon aan ’t kruishout brachten, zondig, slecht, verkeerd tot in ’t gebint? Was er nog iets goeds van ons te maken, onverbeterlijk en boos van aard? Ongeschikt, in alle ding te laken, ook de allerlaagste plaats niet waard? Toen God riep, wat konden wij toen zeggen? Roept U mij, een kwade, dode hond, zelfs onbruikbaar om zich neer te leggen als uw voetveeg voor U op de grond? Maar God openbaarde and’ re dingen, de verlossing, die in Jezus is, doet ons daarvan blij en dankbaar zingen en plaatst ons als kind’ ren aan zijn dis. ’t Is te wonderlijk, te groot voor woorden, wij Gods kind’ ren? En door Hem geliefd? Wij, die tot de duisternis behoorden? Heer, neem onze dank aan alstublieft.
|