Home arrow Bijbelse lessen arrow De wet en christenen arrow Gevangene van de wet?
Main Menu
Home
Waarom de Bijbel?
Bijbelse lessen
Misverstanden
Brood des Levens
Vragen beantwoord
Gedichten & liederen
English!
Zoeken op woord(en)
Contact
Verkrijgbare boeken
Brochures
Over de schrijver
Bijbelkringen
Artikel v/d maand
Inschrijven broodje






Gevangene van de wet? Print E-mail
Written by J.Ph.Buddingh   

Ik ellendig mens.
Een krijgsgevangene van de wet der zonde, die in mijn leden is. Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?

Dat heeft Paulus in Romeinen 7:23 en 24 geschreven. En daaruit trekken velen de conclusie, dat Paulus zich een ellendig mens wist en voelde omdat hij een gevangene van de wet der zonde was.

Hm, slecht gelezen.
In hoofdstuk 2:2 schreef hij
 
de wet van de Geest des levens heeft mij in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods.

De NBG vertaling geeft hier “heeft u vrijgemaakt”. Ik begrijp niet waarom. De grondtekst zegt niet “u”, maar “mij”, dus is het mij.

Paulus zegt dus in hoofdstuk 7, dat hij een gevangene van de wet der zonde is, maar in hoofdstuk 8 dat hij van de wet der zonde is vrijgemaakt.
Hij kan niet beide tegelijk zijn. Wat is de oplossing?

Voor het antwoord moeten we ons afvragen, wat hem bracht tot zijn uitspraak in hoofdstuk 7, dat hij een gevangene en een ellendig mens was. Daarvoor is het nodig dat zevende hoofdstuk goed te lezen.
Het valt dan op, dat hij in het laatste stuk van dat hoofdstuk een paar merkwaardige uitspraken doet:

14 Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.
16  Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is.
22  want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde.

Dat zijn vreemde uitspraken. Juist Paulus maakt ons meer dan eens duidelijk, dat een christen niet onder de wet is:

Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade (Romeinen 6:14). maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter (Romeinen 7:6).

De laatste aanhaling uit Romeinen 7 bepaalt ons bij het betoog in dat hoofdstuk. Daarin legt de apostel uit op welke grond hij kon zeggen “gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade”.
Hij noemde die grond duidelijk in vers 6. We zijn gestorven, de oude mens, voor wie de wet is bestemd, leeft bij de Christen niet meer.

In Galaten 2:20 schreef Paulus:

Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.

Het is dus duidelijk, dat de apostel in Romeinen 7 geschreven heeft over de verhouding van een Christen tot de wet. Hij vervolgde zijn betoog vanaf het zevende vers met een verhandeling over de wet en wat de wet bewerkte bij hen die onder wet waren. Hij voerde daarbij een spreker ten tonele, die hij aanduidde met “ik”, maar die een denkbeeldige persoon is. Hij schreef niet over zichzelf.

Dat is duidelijk doordat hij in Romeinen 7:9 heeft geschreven

Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven,

We weten allen, dat Paulus nooit zonder wet geleefd heeft. Hij was vanaf zijn vroegste jeugd met de wet opgevoed. Hij heeft het ook niet meegemaakt, dat de wet kwam, want die is vele eeuwen voor zijn geboorte aan Israël gegeven.
Hij schreef op deze wijze om duidelijk te maken, wat de wet bewerkte: niet dat de mens Gods wil begon te doen, maar wel, dat de zonde door de wet kracht ontving:

De prikkel des doods is de zonde en de kracht der zonde is de wet (1 Korinthe 15:56).

Dat wordt nog bevestigd door wat de apostel in vers 8 van Romeinen 7 schreef:

Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder wet is de zonde dood.

In het gedeelte van het hoofdstuk, dat met vers 12 begint, schrijft hij nog steeds over iemand, die onder de wet staat (dus niet over een gelovige Christen, want die staat niet onder de wet), en over hetgeen iemand in die positie ervaren zal:

12 Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.
13 Is dan het goede mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde heeft, opdat zij zou blijken zonde te zijn, door het goede (de wet) mijn dood bewerkt, opdat de zonde bij uitstek zondig zou worden door het gebod.
14 Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.

Drukt vers 14 de staat uit, waarin de bekeerde en gelovige apostel Paulus verkeerde? Was hij niet verlost, maar nog steeds verkocht onder de zonde?
Daar is geen sprake van. De apostel laat in deze verzen nog steeds de denkbeeldige persoon aan het woord, die onder de wet staat en niet kan zeggen dat hij verlost is.

15 Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik.
16 Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is.

De gedachte is hier, dat de wet terecht zegt, dat ik dit en dat niet moet doen en andere dingen juist wel. Ik heb dat blijkbaar nodig, omdat ik doe wat niet goed is.

17 Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
18 Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet.
19 Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik.
20 Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

De apostel wijst er op, dat wie tracht de wet te volbrengen, ervaart, dat hij dat wel wil, maar helaas niet doet. Hij ziet dus een verschil tussen zijn denken en bedoelen en zijn werken. Er is kennelijk een motor in de mens, die hem anders doet handelen, verkeerd doet handelen, zelfs tegen zijn wil. Dat is inderdaad het geval. De mens heeft een zondige natuur, anders gezegd, er woont zonde in ons, die ons doet zondigen. (Hij spreekt hier nog steeds over de denkbeeldige persoon, die onder de wet staat.)

21 Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig;
22 want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods,
23 maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.
24 Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?

De zonde in de mens maakt hem tot een gevangene van een soort wet, de wet van de zonde, waaraan hij niet kan ontkomen. Vandaar de vraag in vers 24.
Hij weet wel wie kan verlossen en noemt Hem ook in vers 25.

25 Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!

Maar hij sluit dit gedeelte in het tweede stuk van vers 25 af met een gevolgtrekking over de mens die onder de wet is en aan die wet zou willen voldoen, maar…..

Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde.

Geen veroordeling, dank zij hetgeen God gedaan heeft. Romeinen 8.

1 Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn.
2 Want de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods.

Dat is een opluchting. Het voorgaande zou onherroepelijk tot een oordeel leiden. De wet zegt namelijk dat er leven is voor wie aan de wet voldoet. Wie er niet aan voldoet wacht dood en oordeel.
Maar voor wie in Christus Jezus is (door het geloof) is er geen veroordeling. Bij Hem is namelijk een andere wet dan de wet der zonde en des doods. Dat is de wet van de Geest des levens, het omgekeerde dus. En die heeft de gelovige bevrijd van de wet der zonde en des doods.

3 Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees; God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees,
4 opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest.

De wet van God kon de zondaar niet helpen. Het vlees, onze zondige natuur, kon niet volbrengen wat de wet ons gebood.
God had echter de oplossing.
Hij heeft de zondige natuur, dat is de zonde in het vlees, veroordeeld door dat oordeel aan Christus te voltrekken. Hij heeft Hem tot zonde gemaakt en geoordeeld op Golgotha (2 Korinthe 5:21). Daarmee heeft God met de zonde afgerekend, dat is met de oude en zondige natuur.
Die oude en zondige natuur, ook wel het vlees genoemd, was het probleem in Romeinen 7. Die was niet te veranderen of te verbeteren en kon zich niet aan de wil van God onderwerpen.
Aangezien God in Christus de zonde in het vlees heeft geoordeeld, 
is bij ieder die Christus heeft aangenomen het vlees, de oude en zondige natuur, geoordeeld. In de plaats daarvan heeft hij een nieuwe natuur, nieuw leven ontvangen, dat is Christus. Hij is voortaan zijn leven. En die natuur, die naar God geschapen is, wil juist graag de wil van God volbrengen.
Denk echter niet, dat die nieuwe mens onder de wet staat. Dat is niet het geval. De wet was bedoeld voor zondige mensen en wie gelooft, is geen zondig mens meer, maar een verloste zondaar. Hij is geen gevangene van een wet der zonde meer, hoewel hij helaas nog wel eens zondigt. Dat is echter niet meer onvermijdelijk. De zondige ik, bij wie de verleiding aanklopt, is immers met Christus gestorven, waarom we in Romeinen 6:11 worden opgeroepen ons voor de zonde dood te houden, maar voor God levend.
Tegelijk is wie met Christus gestorven is, ook voor de wet Gods een dode, want die wet was voor de zondige mens bedoeld:

8 Wij weten, dat de wet goed is, indien iemand haar wettig toepast,
9 wel wetend, dat de wet niet gesteld is voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en tuchtelozen, voor goddelozen en zondaars, voor onverlaten en onheiligen, voor vadermoorders en moedermoorders en doodslagers,
10 hoereerders, knapenschenders, zielverkopers, leugenaars, meinedigen, en al wat verder ingaat tegen de gezonde leer,
11 in overeenstemming met het evangelie der heerlijkheid van de zalige God, dat mij is toevertrouwd.

Wie een gelovig Christen is, kan zeggen: die wetteloze, die onheilige, die leugenachtige “ik” leeft niet meer, die is met Christus gestorven, Gode zij dank.
De Christen is niet meer “in het vlees”, maar “in de Geest”. Laat ons dan naar die Geest in Gods Woord horen en wandelen en niet langer met “Ik” bezig zijn, zoals de persoon in Romeinen 7:12-25.
Niet meer “Ik”, maar Christus is ons leven. Hij is onze liefde en aandacht meer dan waard.

Wie dikwijls in de spiegel ziet
heeft telkens reden om te schrikken,
want hij ziet Jezus Christus niet,
zijn oog is steeds gericht op “ikke”.

Was Petrus blij, die eerste dag?
Vast niet, hoe zou dat kunnen wezen?
Maar toen Hij Jezus handen zag,
was hij gelukkig, zonder vreze.

Dat in ons nog de zonde woont
maakt ons onrustig, ontevreden.
Maar als de Heer zijn handen toont,
daalt is ons hart zijn rust, zijn vrede.
      J.Ph.B.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
< Prev