Home arrow Brochures arrow Brochures arrow Moet ik mij bekeren?
Main Menu
Home
Waarom de Bijbel?
Bijbelse lessen
Misverstanden
Brood des Levens
Vragen beantwoord
Gedichten & liederen
English!
Zoeken op woord(en)
Contact
Verkrijgbare boeken
Brochures
Over de schrijver
Bijbelkringen
Artikel v/d maand
Inschrijven broodje






Moet ik mij bekeren? Print E-mail
Written by J.Ph.Buddingh   

Image  

Moet ik mij bekeren? 

De oproep tot bekering.

In de Bijbel wordt herhaaldelijk gezegd, dat de mensen zich moeten bekeren, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament.
Wat Paulus in Athene heeft gezegd, is heel duidelijk: “GOD. . . VERKONDIGT NU AAN DE MENSEN, DAT ZIJ ZICH ALLEN OVERAL MOETEN BEKEREN.” (Hand. 17:30).

Moeten. Het is dus een opdracht van God.
AlIen. De opdracht geldt iedereen.
Overal. Er is geen gebied, waar die opdracht niet geldt.
Hoe vaak zou er in de Bijbel staan, dat de mensen zich moeten bekeren, of woorden van dezelfde strekking? Honderden malen in ieder geval, in ver uiteenliggende tijden opgeschreven. Zou het zo dikwijls als een opdracht of oproep van Gods kant zijn opgeschreven, of zou er zo vaak het verwijt staan, dat de mensen zich niet bekeerd hebben, als zij zich niet kunnen bekeren? Betekent die meer dan honderdvoudige oproep dan niets? Zou het in het laatste oordeel kunnen gebeuren, dat iemand na de aanklacht, dat hij zich niet heeft bekeerd, zou antwoorden: ’Dat is juist, maar dat kon ik ook niet, dat kon geen mens. Verdien ik een verwijt, als ik iets niet deed, dat ik niet kon doen?’ Neen, dat zal niemand kunnen zeggen.

Een dode kan niets doen.

Dat lijkt logisch. Een dode kan zich dus ook niet bekeren. En de Bijbel zegt, dat de mensen dood in zonden en misdaden zijn. (Efeze 2:1).
Dan kunnen ze zich dus niet bekeren, zegt men.

Dat lijkt een sluitende redenering, maar die klopt niet. Van diezelfde mensen, die dood in zonden en misdaden waren, wordt in het eerste hoofdstuk van dezelfde brief gezegd: “IN HEM ZIJT OOK GIJ, NADAT GIJ HET WOORD DER WAARHEID, HET EVANGELIE UWER BEHOUDENIS, HEBT GEHOORD; IN HEM ZIJT GIJ, TOEN GIJ GELOVIG WERDT, OOK VERZEGELD MET DE HEILIGE GEEST DER BELOFTE” (Efeze 1:13).
Zij, die dood waren in zonden en misdaden, konden blijkbaar toch het evangelie horen. Dat wordt door de opwekking van Lazarus bevestigd. Hij was al vier dagen dood. Maar toen Christus zei: Lazarus, kom naar buiten, kwam hij uit het graf.

De opmerking, dat een dode niets kan doen, klopt dus niet altijd, in ieder geval niet als God spreekt. Dan horen de doden zijn stem wel, zoals Christus ook in Johannes 5:25 en 28 heeft gezegd.
Waar zit dan de knoop, want Efeze 2 zegt inderdaad, dat wij dood waren.

We moeten beseffen, dat van die doden in Efeze 2 ook wordt gezegd, dat zij in die dode toestand gewandeld hebben overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, en handelden naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns.
Die passage in de Bijbel zegt ons dus, dat de dode zondaars wandelden en handelden. Dat strijdt niet met de gedachte aan doden, als we bedenken, dat een geestelijke dood wordt bedoeld, waardoor er voor God geen vrucht is.

De zondaar, die geestelijk nog dood is, moet zich bekeren. En de Bijbel zegt ons herhaaldelijk, dat zondaars zich bekeerden, dat zondaars het Woord van God aannamen en dat zondaars geloofden:
“ALLE EINDEN DER AARDE ZULLEN HET GEDENKEN EN ZICH TOT DE HEERE BEKEREN” (Psalm 22:28).
“DAN ZAL IK OVERTREDERS UW WEGEN LEREN, OPDAT ZONDAARS ZICH TOT U BEKEREN” (Psalm 51:15).
“ZO ZAL DE HEERE EGYPTE GEDUCHT SLAAN EN GENEZEN, EN ZIJ ZULLEN ZICH TOT DE HEERE BEKEREN” (Jesaja 19:22).
“DE MANNEN VAN NINEVE ZULLEN IN HET OORDEEL OPSTAAN MET DIT GESLACHT EN HET VEROORDELEN, WANT ZIJ HEBBEN ZICH BEKEERD OP DE PREDIKING VAN JONA” (Mattheüs 12:41).
“EN ALLE BEWONERS VAN LYDDA EN AMO ZAGEN HEM EN BEKEERDEN ZICH TOT DE HEERE” (Hand. 9:35).
“EN EEN GROOT AANTAL KWAM TOT HET GELOOF EN BEKEERDE ZICH TOT DE HEERE” (Hand. 11:21).
“WANT ZELF VERHALEN ZIJ VAN ONS, HOE WIJ BIJ U ONTVANGEN ZIJN EN HOE GIJ U VAN DE AFGODEN TOT GOD BEKEERD HEBT” (1 Thess. 1:9).

De mens kan zich niet bekeren? Maar de Bijbel getuigt er van, dat velen zich bekeerd hebben. De gelovigen in Thessalonika waren eertijds afgoden-dienaars. Zij vielen beslist wel onder de beschrijving van Efeze 2: dood in zonden en misdaden. Toch hebben die dode zondaars zich bekeerd en met hen vele anderen.
De bewering, dat een mens zich niet kan bekeren, blijkt dus niet juist te zijn en is in strijd met Gods Woord.

De Heere moet het doen.

Er wordt vaak gezegd, dat een mens zich niet kan bekeren en dat de Heere dat moet doen.
Nu zegt de Bijbel in 2 Petrus 3:9, dat God niet wil, dat enigen verloren gaan, maar dat alIen tot bekering komen.
Als God alleen de mensen kan bekeren, en wil, dat alIen tot bekering komen, zal Hij er zeker voor zorgen, dat zijn wil geschiedt en zal Hij ze dus alIen bekeren. Of toch niet?
Zij, die zeggen, dat een mens zich niet kan bekeren, zullen het bovenstaande niet geloven. Zij weten te goed, dat niet alle mensen behouden worden.
Waar zit de fout?
God wil niet, dat iemand verloren gaat. Hij alleen zou ze kunnen bekeren, maar doet dat blijkbaar niet, hoewel Hij wil, dat ze tot bekering komen. Dan zou God dus tegen zijn eigen wil in handelen. Dat kan niet juist zijn.

Waarom blijft men ondanks deze kromme redenering zeggen, dat de Heere alleen de mens kan bekeren? Omdat men meent, dat de Bijbel dat in Jeremia 31:18 en Klaagliederen 5:21 zegt. Dat is evenwel een misverstand.

Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn.

Jeremia 31:18, in de weergave van de Statenvertaling, luidt als volgt:
“IK HEB WEL GEHOORD, DAT ZICH EFRAIM BEKLAAGT, ZEGGENDE: GIJ HEBT MIJ GETUCHTIGD, EN IK BEN GETUCHTIGD GEWORDEN ALS EEN ONGEWEND KALF: BEKEER MIJ, ZO ZAL IK BEKEERD ZIJN, WANT GIJ ZIJT DE HEERE, MIJN GOD! ZEKERLIJK, NADAT IK BEKEERD BEN, HEB IK BEROUW GEHAD”.
De NBG vertaling geeft:
“BEKEER MIJ, ZO ZAL IK MIJ BEKEREN”.
Klaagliederen 5:21 in de Statenvertaling is: “HEERE, BEKEER ONS TOT U, ZO ZULLEN WIJ BEKEERD ZIJN, VERNIEUW ONZE DAGEN ALS VANOUDS”.
De NBG vertaling geeft hiervoor:
“BRENG ONS, HERE, TOT U WEDER, DAN ZULLEN WIJ WEDERKEREN”.

In beide teksten wordt hetzelfde woord voor bekeren gebruikt. Het is ook het woord voor terugkeren, terugbrengen, wenden enzovoort. We moeten nauwkeurig nagaan, wie hier spreekt en waarover.
De woorden zijn in beide gevallen door Jeremia opgeschreven of gedicteerd. Hij moest als profeet het Woord van de Heere spreken, zodat we dikwijls lezen: ‘Het Woord des Heeren, dat tot Jeremia geschied is’, of iets van dezelfde strekking, waarop dan volgt, wat de Heere te zeggen had.

Maar in zijn profetie is niet uitsluitend de Heere zelf aan het woord. Soms vinden we een antwoord van de profeet, of een klacht, of een gebed (wat overigens eveneens het geïnspireerde Woord van God is).
Een voorbeeld daarvan is Jeremia 14:13, waar de profeet na de bedreigende aankondiging van het oordeel in vers 12 tegen de Heere zegt:
“ACH, HEERE HEERE! ZIE, DIE PROFETEN ZEGGEN HUN: GIJ ZULT GEEN ZWAARD ZIEN, EN GIJ ZULT GEEN HONGER HEBBEN; MAAR IK ZAL U EEN GEWISSE VREDE GEVEN IN DEZE PLAATS”.
Het komt ook voor, dat de profeet namens het volk spreekt, zoals in Jeremia 14:7-9:
“HOEWEL ONZE ONGERECHTIGHEDEN TEGEN ONS GETUIGEN, O HEERE, DOE HET OM UWS NAAMS WIL; WANT ONZE AFKERINGEN ZIJN MENIGVULDIG, WIJ HEBBEN TEGEN U GEZONDIGD. O ISRAËLS VERWACHTING, ZIJN VERLOSSER IN TIJD VAN BENAUWDHEID! WAAROM ZOUDT GIJ ZIJN ALS EEN VREEMDELING IN HET LAND, EN ALS EEN REIZIGER; DIE SLECHTS INKEERT OM TE VERNACHTEN? WAAROM ZOUDT GIJ ZIJN ALS EEN VERSAAGD MAN, ALS EEN HELD, DIE NIET KAN VERLOSSEN? GIJ ZIJT TOCH IN HET MIDDEN VAN ONS, O HEERE EN WIJ ZIJN NAAR UW NAAM GENOEMD, VERLAAT ONS NIET”.

In Jeremia 31: 18, de tekst, die ons bezig houdt, hebben we nog een andere wijze van spreken. Daar komt Efraïm aan het woord:
“IK HEB WEL GEHOORD, DAT ZICH EFRAÏM BEKLAAGT, ZEGGENDE: GIJ HEBT MIJ GETUCHTIGD, EN IK BEN GETUCHTIGD GEWORDEN ALS EEN ONGEWEND KALF: BEKEER MIJ, ZO ZAL IK BEKEERD ZIJN, WANT GIJ ZIJT DE HEERE MIJN GOD! ZEKERLIJK, NADAT IK BEKEERD BEN, HEB IK BEROUW GEHAD”.

Het is duidelijk, dat daar niet Efraïm, de zoon van Jozef, aan het woord is. De naam Efraïm werd ook voor zijn nakomelingen gebruikt. In de profetieën wordt die naam zelfs voor de tien stammen gebruikt, ter onderscheiding van de naam Juda, die voor de twee stammen gebruikt werd.
Dat is in Jeremia 7:15 het geval, waar de Heere dreigde ook Juda te verwerpen, zoals Hij de tien stammen had laten deporteren door de Assyriër: “EN IK ZAL ULIEDEN VAN MIJN AANGEZICHT WEGWERPEN, GELIJK; ALS IK AL UW BROEDEREN, HET GANSE ZAAD VAN EFRAÏM, WEGGEWORPEN HEB”.
Hetzelfde vinden we in Jeremia 31:9, waar over het herstel en de wederaanneming van Israël wordt geschreven:
“ZIJ ZULLEN KOMEN MET GEWEEN, EN MET SMEKINGEN ZAL IK HEN VOEREN; IK ZAL HEN LEIDEN AAN DE WATERBEKEN, IN EEN RECHTE WEG, WAARIN ZIJ ZICH NIET ZULLEN STOTEN; WANT IK BEN ISRAËL TOT EEN VADER; EN EFRAÏM IS MIJN EERSTGEBORENE”.
In die teksten wordt met de naam Efraïm niet de zoon van Jozef bedoeld, maar de tien stammen van Israël.

In Jeremia 31:18 is dat ook het geval en het is daar dus geen uitzondering. Het bijzondere in 31:18 is, dat met de naam Efraim de tien stammen worden voorgesteld, alsof zij zich met een mond tot de Heere richten:
“IK HEB WEL GEHOORD, DAT ZICH EFRAÏM BEKLAAGT, ZEGGENDE: GIJ HEBT MIJ GETUCHTIGD, EN IK BEN GETUCHTIGD GEWORDEN ALS EEN ONGEWEND KALF. BEKEER MIJ, ZO ZAL IK BEKEERD ZIJN, WANT GIJ ZIJT DE HEERE MIJN GOD! ZEKERLIJK, NADAT IK BEKEERD BEN, HEB IK BEROUW GEHAD”.

Er is in dit vers dus niet een mens aan het woord, die in de nood van zijn ziel tot God roept, maar we horen daar de klacht van de tien stammen van Israël, vertegenwoordigd door Efraïm, nadat die stammen er door de tuchtiging van Gods hand toe gebracht zullen zijn om te gaan roepen tot God, die zij zo lang de rug hebben toegekeerd.
Heel merkwaardig is de roep ‘bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn’. Het is als het ware een gebed om het tuchtigende werk voort te zetten, totdat een totale omkeer van het gehele volk tot stand zal zijn gekomen.
De vrucht van dat werk wordt in vers 19 genoemd: ‘Nadat ik tot inkeer ben gekomen, heb ik berouw gehad. . . . ik ben beschaamd, ja ook te schande geworden’.

Vers 18 is zo merkwaardig, omdat de roep om een werk van God tot bekering reeds bekering betekent.
Hoe zal immers iemand, die niet met zijn hart tot God is teruggekeerd en in een godvijandige weg voortgaat, tot God roepen om een werk aan zijn ziel te doen tot bekering? De roep is tegelijk de bekering.
De oorzaak is, dat hier niet een aanwijsbare persoon aan het woord is, maar dat onder de naam Efraïm en door de mond van Efraïm een heel volk tot God roept. In dat volk zal de één eerder dan de ander tot inzicht komen. Zij, die zich tot de Heere bekeerd hebben, zullen tot de Heere roepen ten behoeve van het gehele volk, zoals de profeten van Israël eertijds zo dikwijls gedaan hebben. Daardoor ontstaat de merkwaardige situatie, dat zij, die bekeerd zijn, roepen om bekering.

De tekst kan daarom beslist niet dienen als bewijs, dat een mens zich niet kan bekeren. Het gaat niet om “een mens”, maar om het volk, de tien stammen, die in de toekomst tot de Heere zullen terugkeren, evenals Juda.
Zij die niet aanvaarden, dat er een herstel voor Israël zal zijn, zullen met de profetische geschriften telkens vastlopen. De recente ontwikkelingen in het Midden Oosten tonen hun ongelijk inmiddels wel aan.

In Klaagliederen 5 is er eveneens iemand namens het volk aan het woord. Ook daar wordt niet om persoonlijke bekering gevraagd. Degene die bidt, is in dit geval bekend en te noemen: Jeremia.
Was Jeremia nog niet bekeerd? Vraagt hij in Klaagliederen 5 aan de Heere, dat die hem bekeren zal? Beslist niet. Jeremia was ongetwijfeld een bekeerde dienstknecht des Heeren. Zijn gebed had op het gehele volk betrekking en betekende: Heere, wilt aan en in dat volk uw werk doen, opdat het tot U zal terugkeren.
Ook deze tekst bewijst niet, dat een mens zich niet kan bekeren. Zij handelt niet over de bekering van een mens, maar slaat op het gehele volk Israël.

Zowel in Jeremia 31 als in Klaagliederen 5 is het voorbidding voor het volk en niet het bidden van een individuele zondaar in verband met eigen verlorenheid. De gedachte, dat een mens zich niet kan bekeren, is niet Bijbels en is in strijd met de Schrift.

Is een mens dan geen vijand van God? Jawel.
Is een mens dan geneigd zich te bekeren? Neen. Is een mens dan geneigd God te zoeken? Neen. Is er geen werk van God nodig? Beslist wel.
Maar God doet dat werk ook.

God werkt.

Paulus zegt zelfs, dat alle mensen Gods boodschap gehoord hebben:
“HUN GELUID IS UITGEGAAN OVER DE GANSE AARDE EN HUN WOORDEN TOT DE EINDEN VAN HET AARDRIJK”. (Rom. 10:18) Hij citeerde psalm 19, die over de prediking in de schepping handelt.
Wat dat aangaat heeft niemand een excuus, want die prediking getuigt overal van Gods grootheid.
Behalve die prediking, die door ieder gehoord wordt, laat de Heere ook het evangelie nog prediken.
Er is ook het persoonlijke getuigenis van meerdere christenen. En in grote delen van de wereld weet men van de komst van Christus door kerstliederen, viert men het paasfeest en heeft men gehoord van het kruis van Christus. Met name de westerse cultuur was van deze dingen doortrokken.

Tenslotte spreekt de Heere ook tot de mensen persoonlijk:
“GOD SPREEKT EENS OF TWEEMAAL; DOCH MEN LET NIET DAAROP. IN DEN DROOM, DOOR HET GEZICHT DES NACHTS, ALS EEN DIEPE SLAAP OP DE LIEDEN VALT, IN DE SLUIMERING OP HET LEGER; DAN OPENBAART HIJ HET VOOR HET OOR DER LIEDEN, EN HIJ VERZEGELT HUN KASTIJDING; OPDAT HIJ DEN MENS AFWENDE VAN ZIJN WERK, EN VAN DEN MAN DE HOVAARDIJ VERBERGE” (Job 33:14-17).
In de NBG vertaling luidt dat als volgt:
“WANT GOD SPREEKT OP EEN WIJZE, OF OP TWEE, MAAR MEN LET DAAR NIET OP. IN EEN DROOM, IN EEN NACHTGEZICHT, WANNEER DIEPE SLAAP OP DE MENSEN VALT, IN SLUIMERING OP DE LEGERSTEDE; DAN OPENT HIJ HET OOR DER MENSEN, EN DRUKT HET ZEGEL OP DE VERMANINGEN, TOT HEN GERICHT, OM DE MENS VAN ZIJN DOEN AF TE BRENGEN, OM HOOGMOED VAN DE MAN TE WEREN”.

Maar velen willen zich niet bekeren en verzetten zich tegen het werk, dat God door Woord en Geest aan het hart en het geweten verricht, zoals Stefanus tegen de Joodse raad heeft gezegd:
“GIJ HARDNEKKIGEN EN ONBESNEDENEN VAN HART EN OREN, GIJ WEDERSTAAT ALTIJD DEN HEILIGEN GEEST; GELIJK UW VADERS, ALZO OOK GIJ.” (Hand. 7:51).
Volg hun voorbeeld niet, maar bekeer u tot de Heere.

Over ‘bekering’ kan de eerste brief van Paulus aan de Thessalonikers ons het één en ander leren.
De apostel kon schrijven, dat men over de gelovigen in Thessalonika vertelde, dat zij zich van de afgoden tot God bekeerd hadden.
Bekering is van het ene tot het andere, of van de ene tot de andere. Die gelovigen hadden de afgoden gediend en in de goddeloosheden en ontucht geleefd, die aan de afgoderij verbonden waren. Maar zij hadden die afgoden de rug toegekeerd en zich tot God bekeerd, niet alleen met woorden, maar ook in de daad, want het werd gezien en er werd over gesproken. Hun leven was zichtbaar anders geworden. Het werd gezien, dat zij niet meer de afgoden, maar de levende en waarachtige God dienden.
Zij bekommerden zich kennelijk niet meer om de afgoden, die niets bemerkten of zagen en die men om de tuin kon leiden. Zij rekenden voortaan met de levende God, die alles ziet en die als waarachtige God van hen, die geloven, vraagt, dat zij Hem in waarachtigheid dienen. Ja, dat werd gezien.

Dat vraagt God vandaag ook van de mensen. Zij moeten zich bekeren van hun afgoden, hetzij geld of eer, drank of allerlei onreinheid, tot Hem, de levende en waarachtige God. Vervolgens mogen ze Hem dienen in plaats van hun afgod.

Maar dan komt men met de opmerking ‘de mens kan zich niet bekeren’. Klopt dat?
Neen, dat klopt niet. De Thessalonikers hadden zich bekeerd. Gods Woord zegt dat. Er staat niet, dat God ze bekeerd had.

Ik beweer niet, dat God er niets mee te maken had, maar wijs er met nadruk op, dat Gods Woord van de Thessalonikers zegt, dat zij zich van de afgoden tot God bekeerd hadden. Wie is er zo vermeteI om Gods Woord tegen te spreken? Wie durft te beweren, dat de Thessalonikers zich niet bekeerd hebben?
Wie zegt, dat de mens zich niet kan bekeren, zegt daarmee ook, dat de Thessalonikers zich niet bekeerd hebben. Dat konden zij immers niet.

Maar Gods onfeilbaar Woord zegt, dat zij zich wel bekeerd hebben. En als we voor dat Woord moeten buigen, en dat moeten we beslist doen, want het is Gods heilig Woord, moeten we toegeven, dat mensen zich dus kunnen bekeren. Het verweer, dat een mens zich niet kan bekeren, is niet waar, is in strijd met Gods Woord en heeft geen andere betekenis dan een uitvlucht om zich niet te bekeren. De duivel is daar heel blij mee!

De gelovigen in Thessalonika dienden na hun bekering niet alleen de levende God, maar verwachtten ook zijn Zoon uit de hemelen, die hen van de toekomstige toorn zou verlossen. Voordien was hun verwachting het graf geweest en een soort oordeel door de goden. Nu zagen zij met blijdschap uit naar de komst van Gods Zoon, die van de toekomstige toorn verlost. Niet alleen hun leven was veranderd, maar ook hun toekomst. Zij waren mensen met hoop en met een blij vooruitzicht geworden. Daardoor was het zichtbaar, dat zij zich bekeerd hadden.

De Schrift  leert ons, dat de mens zondig is en een vijand van God is, hij zoekt de Heere niet en is niet geneigd zich te bekeren. Mogelijk herkent u daarin uzelf.
De Heere moet in het hart en het leven werken, opdat mensen zich zullen bekeren. Hij doet dat ook. Hij deed dat bij Kaïn, bij de tijdgenoten van Noach, bij Farao, bij Achab, bij Nebukadnezar, bij Pilatus, bij koning Agrippa, en Hij doet dat bij u onder andere door dit foldertje.
Hij betoont zijn goedheid, laat in de schepping zijn macht zien, spreekt tot de mensen door rampen en moeilijkheden, zorgt er voor, dat iemand het evangelie hoort of bemerkt dat er voor hem gebeden wordt.

En dan komt de roep ‘bekeer u’.

Niemand kan zeggen ‘dat kan ik niet’. De waarheid is, dat velen zouden kunnen zeggen ‘dat wil ik niet’.
Zij blijven zich verzetten tegen het werk van Gods Geest, of laten zich bedriegen door de boze, die het Woord van God tegenspreekt door te beweren ‘een mens kan zich niet bekeren’.

Hopelijk hoeft van u, lezer, niet gezegd te worden, dat U de Heere tevergeefs laat roepen. Bekeer u en grijp Jezus Christus, de Verlosser aan.

Wie in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven.

Last Updated ( Wednesday, 02 January 2008 )
 
< Prev   Next >