Home arrow Brochures arrow Brochures arrow Het moet je gegeven worden
Main Menu
Home
Waarom de Bijbel?
Bijbelse lessen
Misverstanden
Brood des Levens
Vragen beantwoord
Gedichten & liederen
English!
Zoeken op woord(en)
Contact
Verkrijgbare boeken
Brochures
Over de schrijver
Bijbelkringen
Artikel v/d maand
Inschrijven broodje






Het moet je gegeven worden Print E-mail
Written by J.Ph.Buddingh   

Image  

Het moet je gegeven worden.  

Tante Ger was oud geworden en kon niet meer alleen zijn. Daarom was zij op een boerderij op kamers gaan wonen, want ergens anders kan een boerin niet zo gemakkelijk aarden. Ze was een echt oud vrouwtje geworden en ze zou het waarschijnlijk niet lang meer maken.

Neef Hans zocht haar nog eens op en bracht het gesprek op de genade van God; in het uur van de dood de enige zekere grondslag.
Plotseling klonk er een stem uit de keuken, waarvan de deur half geopend stond. De boerin maakte de koffie klaar en had alles gehoord: “Maar het moet je wel gegeven worden”.
Zij kwam even later binnen en zette de kopjes met koffie neer.
Daarop zei Hans: “U zei in de keuken dat het gegeven moet worden”. “Zo is het maar net”, was het antwoord.
“Wel, ik geloof dat u gelijk hebt”, zei Hans, en pakte zijn Bijbel en las uit Joh. 4:14 voor: “..ZO WIE GEDRONKEN ZAL HEBBEN VAN HET WATER, DAT IK HEM GEVEN ZAL, DIEN ZAL IN EEUWIGHEID NIET DORSTEN;... Het zal ons dus inderdaad gegeven moeten worden”.
“Precies”, beaamde de boerin.
“Maar nou wordt het wat moeilijker”, zei Hans, “want wat ik in Openbaring 22:17 lees, is heel anders: WIE DORST HEEFT, KOME, EN WIE WIL, NEME HET WATER DES LEVENS OM NIET. Het is allebei het Woord van God, maar moet het ons nu gegeven worden of moeten we het nemen?”

De boerin zweeg en tante Ger eveneens, maar in haar oude gezicht priemden de oogjes fel en aandachtig.

“Het is niet zo moeilijk”, zei Hans. “Het ene is even waar als het andere. U hebt hier koffie neergezet. Als u mij die niet had gegeven, zou ik niets te drinken hebben. Maar als ik het kopje nu niet neem en drink, zal ik evenmin iets binnen krijgen. Zo ziet u, u moest geven maar ik moet nemen.” Daarop pakte hij het kopje en dronk.

“U voelt natuurlijk wel, dat ik het niet gepakt had als ik betwijfelde of u het voor mij bestemd had. Zo is het met veel mensen, die zo goed weten, dat het ons gegeven moet worden. Zij betwijfelen of God het heil wel aan hen wil geven en nemen daarom niet. En dat, terwijl de Heere zegt “wie wil, neme”. Het blijkt dus dat het helemaal niet de vraag is, of God wel wil maar of u wilt. Indien u wilt, mag u volgens Openbaring 22:17 nemen en de Heere Jezus tot uw redding aanroepen.”

Neen, het zal niet gebeuren, dat iemand verloren gaat en God zal kunnen verwijten: “U hebt mijn behoud niet gewild”. Het zal precies omgekeerd zijn: een eeuwig zelfverwijt: “ik heb niet gewild”.

Maar o, als de Heere niet trekt.

Dat is niet zo maar een opmerking. Nee, daar staat de Schrift achter. Het is alleen jammer dat men gewoonlijk denkt nauwkeurig te weten wat de Bijbel zegt en daarom niet zoekt waar het staat en wat er precies staat. Het blijkt dat heel vaak de meest bekende bijbelteksten helemaal niet zo grondig gekend worden.

Dat is trouwens koren op de molen van de duivel, want die is buitengewoon bedreven in ‘vroom bedriegen’; dat is bedriegen met vrome woorden en gedachten die wel bijbels lijken, maar verkeerd uitgelegd, verdraaid, of uit het verband gerukt, helemaal niet bijbels zijn. Om welke bijbeltekst gaat het in dit geval? Om de woorden van de Heere Jezus in Johannes 6:44. Daar staat: “NIEMAND KAN TOT MIJ KOMEN, TENZIJ DAT DE VADER, DIE MIJ GEZONDEN HEEFT, HEM TREKKE;...”.
Het is verstandig het volgende vers ook te lezen, want dat handelt eveneens over het komen tot Jezus. Dat vers zegt: “EEN IEGELIJK DAN, DIE HET VAN DEN VADER GEHOORD EN GELEERD HEEFT, DIE KOMT TOT MIJ.” 
Als wij nu vragen, wie er tot de Heere komen, hebben we twee antwoorden:

1. Wie door de Vader getrokken wordt.
2. Wie van de Vader gehoord en geleerd heeft.

1 en 2 zijn dus gelijk. Wie van de Vader gehoord en geleerd heeft, werd door hetgeen hij gehoord heeft, getrokken. De Vader trekt een verlorene door zijn Woord en Geest. Maar niet ieder die getrokken wordt, komt ook inderdaad tot Hem. Er zijn er die zich verzetten.

Meen niet, dat een mens zich niet tegen Gods Geest kan verzetten. Dat kan beslist wel, wat blijkt uit de woorden van Stefanus tegen het Sanhedrin: “GIJ HARDNEKKIGEN EN  ONBESNEDENEN VAN HART EN OREN, GIJ WEDERSTAAT ALTIJD DEN HEILIGEN GEEST, GELIJK UW VADERS, ALZO OOK GIJ”. (Hand. 7:51) Hij zei dat niet tegen een groep onverschillige mensen, maar tegen de hoogste godsdienstige leiders in Israël.

Bent u mogelijk ook godsdienstig, rechtzinnnig in de leer en doorkneed in de Bijbel? Hebt U zich misschien ook verzet tegen de Heilige Geest door God ervan te beschuldigen, dat Hij u nog niet heeft getrokken? Dat was niet waar hè? De Heere trok u, zoals een oma op de hurken een kleindochterje lokt met uitgespreide armen. Hij toonde u Zichzelf, neergedaald in Jezus Christus, met de armen uitgebreid op het kruishout, opdat u tot Hem zoudt komen. Waarom luistert u nog steeds naar de bedrieger, die fluistert: “geloof niet dat het voor jou is; zo goed is God niet; je weet toch dat je getrokken moet worden?”

Hebt u gelezen, wat de Heere in Johannes 12:32 gezegd heeft?
“EN IK, WANNEER IK VAN DE AARDE ZAL VERHOOGD ZIJN, ZAL HEN TOT MIJ TREKKEN”. De vader laat ons de aan het kruis verhoogde Heiland zien om ons te trekken.  Zie Hem daar, om onze zonden in het oordeel, biddend voor Zijn vijanden.
Hoe kunt u weigeren om tot Hem te komen of twijfelen aan de bereidheid van God om u aan te nemen? Moet God nog groter bewijs van Zijn liefde voor verlorenen geven dan door de gave van Zijn enige Zoon in zulk een verschrikkelijk lijden terwille van ons? Bedrieg uzelf niet langer en verschuil u niet langer achter wat God moet doen. Doe wat u moet doen en werp u neer voor Hem die voor u leed en stierf, en laat u opnemen door Zijn eeuwige liefde.

Een willoze klomp klei, overgeleverd aan de willekeur van de pottenbakker.

Hebt u wel eens een pottenbakker bezig gezien aan zijn draaischijf? Pottenbakkers waren in oude tijden onmisbaar. Wij moeten tegenwoordig ons best doen om er één te vinden, maar voorheen werd alle aardewerk door hen gemaakt. We gebruiken nog steeds heel wat aardewerk, maar vóór de toepassing van emaille en de ontdekking van aluminium werd er veel meer aardewerk gebruikt. Mijn moeder wist zich nog te herinneren, dat haar moeder bepaalde gerechten in een pot van aardewerk kookte.
Er kan bij een pottenbakker niet zo veel misgaan. Als er iets mislukt, kan hij de klei zo weer in elkaar duwen en van die klomp klei een beter vat maken. Hij is meester over zijn materiaal en kan er van maken wat hij wil.
In de bijbel komen we de pottenbakker onder andere tegen in een beeld dat gebruikt wordt om een bepaalde gedachte of leer duidelijker te maken. In de Brief aan de Romeinen lezen we in hoofdstuk 9:21: “OF HEEFT DE POTTENBAKKER GEEN MACHT OVER HET LEEM OM UIT DENZELFDEN KLOMP TE MAKEN, HET ÉNE EEN VAT TER ERE EN HET ANDERE TER ONERE?”

Die woorden uit Romeinen 9 (en nog andere) zien velen als een bevestiging  van hun gedachte, dat God alleen bepaalt of iemand zal behouden worden of niet. Hij zou met de mensen handelen als de pottenbakker met de klei en souverein bepalen of iemand een vat tot eer of een vat tot oneer zal zijn.
Paulus behandelde hier in Romeinen 9 de vraag, of God Israël zo maar kon laten vallen, terwijl de Schriften heerlijke beloften voor Israël bevatten, en omgekeerd, of God de volken zo maar het heil kan aanbieden, terwijl zij toch veraf waren en zeker niet zo bevoorrecht als Israël.
Paulus kende de Bijbel. Hij wist dat in Jeremia 18:1-11 te lezen is, dat de profeet naar een pottenbakker moest gaan en daar zag, dat die man met het leem deed wat hij wilde; mislukte een werkstuk, dan drukte hij het leem weer in elkaar en maakte hij er iets anders van.
Dat beeld had God gebruikt om te illustreren wat Hij zou doen met Juda en Jeruzalem: “TOEN GESCHIEDDE DES HEEREN WOORD TOT MIJ, ZEGGENDE: ZAL IK ULIEDEN NIET KUNNEN DOEN, GELIJK DEZE POTTENBAKKER, O HUIS ISRAËLS? SPREEKT DE HEERE; ZIET, GELIJK LEEM IN DE HAND DES POTTENBAKKERS, ALZO ZIJT GIJLIEDEN IN MIJN HAND, O HUIS ISRAËLS! IN EEN OGENBLIK ZAL IK SPREKEN OVER EN VOLK EN OVER EEN KONINKRIJK, DAT IK HET ZAL UITRUKKEN, EN AFBREKEN, EN VERDOEN; MAAR INDIEN DATZELVE VOLK, OVER HETWELK IK ZULKS GESPROKEN HEB, ZICH VAN ZIJN BOOSHEID BEKEERT, ZO ZAL IK BEROUW HEBBEN OVER HET KWAAD, DAT IK HETZELVE GEDACHT TE DOEN. OOK ZAL IK IN EEN OGENBLIK SPREKEN OVER EEN VOLK EN OVER EEN KONINKRIJK, DAT IK HET ZAL BOUWEN EN PLANTEN; MAAR INDIEN HET DOET, DAT KWAAD IS IN MIJN OGEN, DAT HET NAAR MIJN STEM NIET HOORT, ZO ZAL IK BEROUW HEBBEN OVER HET GOEDE, MET HETWELK IK GEZEGD HAD HETZELVE TE ZULLEN WELDOEN. NU DAN, SPREEK NU TOT DE MANNEN VAN JUDA EN TOT DE INWONERS VAN JERUZALEM, ZEGGENDE: ZO ZEGT DE HEERE: ZIET, IK FORMEER EEN KWAAD TEGEN ULIEDEN, EN DENK TEGEN ULIEDEN EEN GEDACHTE; ZO BEKEERT U NU, EEN IEGELIJK VAN ZIJN BOZEN WEG, EN MAAKT UW WEGEN EN UW HANDELINGEN GOED.” (Jeremia 18:5-11)
Bedoelde God aan Jeremia duidelijk te maken, dat zijn besluiten onveranderlijk waren? Nee, bepaald niet. God maakte juist duidelijk, dat Hij niet gebonden kon worden aan zijn aanvankelijke voornemens, wanneer Hij het nodig oordeelde anders te handelen. Als God rampspoed over Juda bracht, kon Juda niet zeggen, dat God onrechtvaardig handelde, met verwijzing naar Gods beloften. God is souverein, zowel wanneer Hij toornt, als wanneer Hij zich ontfermt. Het beeld van de pottenbakker werd niet gebruikt om te laten zien, dat een klomp leem, eenmaal een misbaksel geworden, gedoemd is een misbaksel te blijven. Het is andersom: Het beeld laat zien, dat een mislukt vat NIET mislukt hoeft te blijven, maar door de werkman uiteindelijk toch tot een goed werkstuk gevormd kan worden.

Nu, dat beeld gebruikte Paulus in Romeinen 9. Niet om duidelijk te maken, dat God naar zijn wil de één voor de zaligheid en de ander tot het oordeel bestemt. Veeleer het omgekeerde!

Hij maakte met dat beeld duidelijk, dat God niet verplicht is om Israël te blijven zegenen als het onbekeerlijk is, en dat Hij het volle recht heeft om over dat volk het oordeel te doen komen. Omgekeerd heeft God het recht om zich over de heidenen, die ver van God waren, te ontfermen, als zij zich bekeren. Het beeld van het leem en de pottenbakker in Romeinen 9 is geen bevestiging van de onveranderlijkheid van Gods wegen, maar juist het omgekeerde: Israël, dat op zegen rekende, zou in plaats daarvan onder zware tuchtiging komen, terwijl de heidenen, die alleen maar op oordeel konden rekenen, door Gods barmhartigheid gezegend werden.

Hoe kan dat dan?

Hoe dat kan? Dat heeft Jeremia toch gezegd! We hebben immers gelezen: ‘maar bekeert zich dit volk van zijn boosheid, dan zal Ik berouw hebben over het kwaad’. Wij hebben echter ook gelezen: ‘Doet het wat kwaad is in mijn ogen, dan zal Ik berouw hebben over het goede....’ Bekering leidt dus volgens Jeremia 18 tot zegen en zich afwenden van God leidt tot de ondergang. Maar dat is het bekende getuigenis van de gehele Schrift. Romeinen 9 toont aan, dat God in zijn (tijdelijke) verwerping van zijn vok Israël niet anders handelde dan Hij in zijn Woord had gezegd en evenmin van onrecht beschuldigd kon worden, als Hij zich ontfermde over heidenen.

En daar gaat het in Romeinen 9 om. Het is niet een hoofdstuk dat handelt over de uitverkiezing van de individuele mens; het gaat om: Israël enerzijds, en de volken anderzijds, als groep. God ontfermt zich over wie Hij wil: Hij ontfermde zich over heidenen; maar God verhardt ook wie Hij wil: Hij verhardde Israël. Indertijd had God Farao verhard, toen hij weigerde zich te bekeren, hoewel God zo duidelijk door wonderen en tekenen tot hem gesproken had; zou God voor Israël dan een andere maatstaf moeten aanleggen, als ook zij weigerden zich te bekeren, hoewel zij niet alleen wonderen en tekenen gezien hadden, maar zelfs de Heere in hun midden gekend hadden? Zou God onrechtvaardig handelen, als hij hen verhardde, zoals Hij Farao verhard had? Beslist niet.

Uitverkiezing tot zaligheid van de individuele mens wordt in Romeinen 9 niet behandeld of aan de orde gesteld. Misschien hebt u altijd gedacht, dat dat nu juist het onderwerp van dat hoofdstuk is. Ik moet evenwel volhouden, dat het daar niet om gaat, zelfs niet in de vaak aangehaalde woorden: “Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat” (Romeinen 9:13). Jakob, de jongste, die het eerstgeboorterecht niet had, is hier een beeld van de volken, die geen rechten hadden, terwijl Ezau, de eerstgeborene die alle recht had, een beeld is van Israël, dat volgens Exodus 4:22 Gods eerstgeboren zoon was, maar door de verwerping van Christus de zegen heeft veracht als Ezau.

Ja, God kiest hen die geen rechten hebben, zoals Jakob. U hebt ook geen rechten, nietwaar. Wel, Gods ontferming is voor mensen zoals u en ik, mensen, die het er beslist niet naar gemaakt hebben om ontferming te kunnen verwachten en die bedriegers zijn, zoals Jakob. Over die mensen, die geen vermeend recht naar voren halen, zoals de Joden deden, verkiest God zich te ontfermen, indien zij zich bekeren, zoals al uit Jeremia 18 duidelijk is, ook al zijn zij heidenen en geen Joden.
Wat God wil en wat God niet wil.

In 1 Timotheüs 2:4 staat wat God wil; in 2 Petrus 3:9 staat wat God niet wil. Het bijzondere in die beide bijbelteksten is, dat zij hetzelfde zeggen, al klinken zij tegengesteld:

1Timotheüs 2:4   2 Petrus 3:9
GOD ONZEN ZALIGMAKER; WELKE    DE HEERE.... IS LANKMOEDIG OVER
WIL, DAT ALLE MENSEN ZALIG  ONS, NIET WILLENDE, DAT ENIGEN WORDEN, EN TOT KENNIS DER  VERLOREN GAAN, MAAR DAT ZIJ   WAARHEID KOMEN.  ALLEN TOT  BEKERING KOMEN.
   

God wil dus dat alle mensen behouden worden. God wil niet dat iemand verloren gaat. Dat zijn woorden om nog eens te lezen. Gods Woord, dat blijft tot in eeuwigheid en waarvan geen letter zal vervallen, verzekert ons hier, dat God wil dat alle mensen behouden worden.

En als wij ons afvragen of wij het wel goed gelezen hebben, verzekert Petrus ons dat God niet wil dat iemand verloren gaat. Alle mensen.
Het kon niet meer algemeen gesteld zijn. Niemand kan beweren, dat God hem  niet op het oog heeft, want alle mensen kent geen uitzondering. Mensen zijn wij allemaal, en als God alle zegt, bedoelt Hij u en mij en iedereen. Hetzelfde geldt voor iemand. God wil niet dat iemand verloren gaat. U hebt uw eigen naam, uw eigen geschiedenis, uw eigen persoonlijkheid, en men zegt wel eens dat geen twee mensen gelijk zijn. Maar als men niets van u weet, bent u altijd nog iemand. En 2 Petrus 3 zegt dat God niet wil dat iemand verloren gaat, en daarop bent u geen uitzondering. God wil dus niet dat u verloren gaat. U kunt dat niet tegenspreken, tenzij u zo vermetel bent om Gods Woord tegen te spreken. En ten overvloede volgt er op, dat God wil dat allen tot bekering komen, en dat u onder allen valt is duidelijk.

Wat een woorden van God:

God WIL dat  u behouden wordt en tot  kennis van de waarheid komt. God WIL NIET dat u verloren gaat, maar dat u tot bekering komt.

Zo denkt God over u en zo spreekt God over u en zijn woorden zijn betrouwbaar en vast. Wat een ernstig woord: God wil dat u behouden wordt, en God wil niet dat u verloren gaat..
Dringt dat goed tot u door?
Aan de waarheid van deze woorden valt niet te twijfelen. Misschien hebt u zich al lange tijd afgevraagd of God uw behoud wel wilde. U hebt hier uit Gods Woord het antwoord:

God wil!

Dat God een sterk verlangen heeft om mensen te behouden, kunnen wij niet betwijfelen, want

“WANT ALZO LIEF HEEFT GOD DE WERELD GEHAD, DAT HIJ ZIJN ENIGGEBOREN ZOON GEGEVEN HEEFT, OPDAT EEN IEGELIJK DIE IN HEM GELOOFT, NIET VERDERVE, MAAR HET EEUWIGE LEVEN HEBBE.”

Zou God zijn geliefde Zoon ooit in het grote lijden aan het kruis gebracht hebben als Hij niet ons behoud bedoelde? Natuurlijk niet. En opnieuw lezen wij: ‘opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe’. Een ieder, u en ik en alle mensen, zonder uitzondering. Maar dat wordt nog wat sterker door de woorden van de Heere in Johannes 6:40:

“WANT DIT IS DE WIL MIJNS VADERS, DAT EEN IEDER DIE DE ZOON AANSCHOUWT EN IN HEM GELOOFT, HET EEUWIGE LEVEN HEBBE.”

Niet alleen zal ieder die in Hem gelooft, het eeuwige leven hebben, maar dat is ook nadrukkelijk de wil van God. Als het zo staat met de wil van God, hoe kunnen er dan toch zo velen verloren gaan? Doordat zij zich tegen Gods wil en het werk van de Heilige Geest verzetten. Stefanus heeft in Handelingen 7:51 tegen zijn tijdgenoten gezegd: “...GIJ WEDERSTAAT ALTIJD DEN HEILIGE GEEST; GELIJK UW VADERS, ALZO OOK GIJ.” Dat zijn ernstige woorden en misschien moeten die ook tegen u gezegd worden. Hebt u trouwens wel eens over Mattheüs 23:37 nagedacht?:
“JERUZALEM, JERUZALEM! GIJ, DIE DE PROFETEN DOODT, EN STENIGT, DIE TOT U GEZONDEN ZIJN! HOE MENIGMAAL HEB IK UW KINDEREN WILLEN BIJEENVERGADEREN, GELIJKERWIJS EEN HEN HAAR KIEKENS BIJEENVERGADERT ONDER DE VLEUGELEN, EN GIJLIEDEN HEBT NIET GEWILD”

Wat moet uw antwoord zijn? Buigen voor Hem die voor u leed en stierf en Hem aannemen. Stel zijn liefde niet langer teleur en kom.

Uitverkoren of verloren?

Dat is een vraag die wel geschikt is om je neerslachtig te maken en er zijn er die het daarmee heel moeilijk hebben; anderen echter zijn daardoor onverschillig geworden, en betogen, dat een mens aan zijn zaligheid toch niets kan doen - zelfs het geloof is een gave van God en wat wil je, als God je die gave niet geeft? -, waardoor het  geen zin heeft je er druk over te maken; als je uitverkoren bent, zal God je wel arresteren. In het algemeen is men er van overtuigd, dat er een uitverkiezing ter zaligheid, dus ook een uitverkiezing ter verdoemenis is. Nu, dat laatste is in de Bijbel niet te vinden. Het mag logisch lijken om te zeggen, dat er naast de uitverkiezing ter zaligheid een uitverkiezing ter verdoemenis is, toch komen wij in de Bijbel dat begrip niet tegen.

Maar is het hele begrip “uitverkiezing” niet onlogisch, gezien de teksten die wij al overdacht hebben? Als God wil, dat alle mensen behouden worden, waarom beperkt Hij zijn keus dan? De reden kan niet zijn, dat uitverkorenen tot een betere soort behoren. Die gedachte is in strijd met de gehele leer van Gods Woord, waaruit juist blijkt, dat God zondaars tot bekering roept en niet rechtvaardigen. En waarom heeft de Heere in Mattheüs 23:37 gezegd: “HOE MENIGMAAL HEB IK UW KINDEREN WILLEN BIJEENVERGADEREN, GELIJKERWIJS EEN HEN HAAR KIEKENS BIJEENVERGADERT ONDER HAAR VLEUGELEN, MAAR GIJ HEBT NIET GEWILD”, als zij niet konden willen, omdat zij niet uitverkoren waren? En waarom heeft de Heere zich over het ongeloof verwonderd, als niemand kan geloven, indien Hij het geloof niet geeft?

Men maakt zich van dergelijke opmerkingen en vragen vaak af met het antwoord: “De Heere is souverein”. Maar al is dat helemaal waar, een bevredigend antwoord is het niet en de vragen blijven staan.

Er is trouwens nog iets in dat wringt. God is de God der waarheid, zijn Woord is het Woord der waarheid, en de Geest is ook de Geest der waarheid. Hij wil ons uit de strikken van de leugen bevrijden en het is de waarheid, die vrij maakt. (Johannes 8:32)
Moet ik dan desondanks aannemen, dat God van ons vraagt dat we een leer erkennen, die alle kenmerken van onwaarheid heeft?  Die God, die de mens naar zijn beeld heeft geschapen, zou van ons vragen, dat wij ons verstand op nul draaien en het aanvaarden, dat God WIL dat alle mensen behouden worden, maar dat Hij weigert hun het noodzakelijke geloof te geven? Leert de Schrift dat werkelijk? Neen! Dat leert de Schrift niet.
Waar wordt ons geleerd, dat geloof een gave van God is? Men zegt altijd, dat het in Efeziërs 2:8 staat: “WANT UIT GENADE ZIJT GIJ ZALIG GEWORDEN DOOR HET GELOOF; EN DAT NIET UIT U, HET IS GODS GAVE; NIET UIT WERKEN, OPDAT NIEMAND ROEME.” Echter, het woordje “dat” slaat niet op het woord geloof, (kan daar taalkundig niet op slaan), maar op de voorafgaande zin: “UIT GENADE ZIJT GIJ ZALIG GEWORDEN DOOR HET GELOOF”, en dat is inderdaad een gave van God en is niet uit werken.
Waar komt geloof dan vandaan? Het geloof is volgens Romeinen 10:17 uit het gehoor, en het gehoor is door het Woord Gods. Hier passen twee opmerking:

1.  Zoals wij al overdacht hebben, kan een mens zich tegen het werk van Geest en Woord verzetten, en
2.  Geloven is geen goed werk, dat God wel moet belonen en de redding is niet om het geloof, maar door het geloof. Het geloof erkent juist geen verdienste te hebben en strekt daarom smekend de handen naar de Heiland uit.

Het is dus niet zo, dat God geloof eist, maar weigert dat geloof te geven aan hen die niet zijn uitverkoren. Het is andersom. God klopt aan het geweten van halsstarrigen en ongehoorzamen door middel van zijn Woord, opdat zij hun hart voor Hem zullen openen; Hij beweegt ze daartoe door zijn Woord. Dat Woord zal hen echter ook éénmaal oordelen, als zij in ongeloof volharden.
Wat is de duivel toch listig en boos. In het begin heeft hij de mens wijs gemaakt, dat God hun de beste vrucht niet gunde; nu maakt Hij de mensen wijs, dat God hun het geloof niet wil geven. Maar zoals hij toen loog, liegt hij ook nu.

Wat zegt het Woord Gods nu over uitverkiezing voor de grondlegging der wereld?

“GEZEGEND ZIJ DE GOD EN VADER VAN ONZEN HEERE JEZUS CHRISTUS, DIE ONS GEZEGEND HEEFT MET ALLE GEESTELIJKE ZEGENING IN DEN HEMEL IN CHRISTUS. GELIJK HIJ ONS UITVERKOREN HEEFT IN HEM, VÓÓR DE GRONDLEGGING DER WERELD, OPDAT WIJ ZOUDEN HEILIG EN ONBERISPELIJK ZIJN VOOR HEM IN DE LIEFDE.” (Efeziërs 1:3.4)

Hier vallen twee dingen op:

1. Het uitverkoren zijn wordt gelijk gesteld met het gezegend zijn: gezegend ... gelijk Hij ons uitverkoren heeft.
2. De gelovige is uitverkoren in Christus.

1.  Volgens vers 3 zijn wij in de hemel gezegend. Maar wij zijn nog op aarde. Hoe zit dat? Wel, wij zijn zozeer één met Christus, dat als Hij is opgewekt, wij het ook zijn (Efeziërs 2:5), en als Hij in de hemel zit, wij daar in Hem ook gezet zijn (Efeziërs 2:6), en als Hij daar gezegend is, wij in Hem ook daar gezegend zijn (1:3). Op gelijke wijze (gelijk Hij ons uitverkoren heeft) zijn wij in Hem ook uitverkoren voor de grondlegging der wereld. Wij waren er toen nog niet, dat is waar; maar wij zijn in Hem, één met Hem. En Christus is de Uitverkorene van God. (Jesaja 42:1, 1 Petrus 2:4 en 6). En door onze verbinding met Hem zijn wij in Hem voor de grondlegging der wereld uitverkoren. Toen God Hem (om zo eens te spreken) heeft uitgekozen als de tarwekorrel die in de aarde zou vallen, koos Hij daarmee tegelijk de korrels die na het zaaien als vrucht in de opschietende halm zouden komen, de gelovigen die als de vrucht van Zijn sterven aan Hem verbonden zijn en gezien worden als in Hem.

2. Uitverkoren ‘in Christus’ betekent niet, dat wij uitverkoren zijn om in Christus te zijn. Wij mogen beslist niet lezen: uitverkoren  tot Christus. ‘In Christus’ is niet het doel. Het doel wordt genoemd na het ‘opdat’ van vers 4 “OPDAT WIJ ZOUDEN HEILIG EN ONBERISPELIJK ZIJN VOOR HEM”. Het is dus: In Christus uitverkoren (oorsprong)....opdat (doel). ‘In Christus’ zegt ons hoe God ons zag en heeft uitverkoren. Uitverkiezing is dus met de voorkennis van God verbonden: uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader (1Petrus 1:2), en: “WANT DIE HIJ TE VOREN GEKEND HEEFT, DIE HEEFT HIJ OOK TE VOREN VERORDINEERD,DEN BEELDE ZIJNS ZOONS GELIJKVORMIG TE ZIJN,... ” (Romeinen 8:29)

Overigens, de uitverkiezing is geen onderwerp voor ongelovigen. Zij hebben het evangelie, de Heere Jezus nodig, geen leer over de uitverkiezing, die zij niet begrijpen (1 Korinthiërs 2: 1-4), en die hen in verwarring brengt.

Alleen Jezus Christus maakt vrij.


 

Last Updated ( Wednesday, 02 January 2008 )
 
< Prev   Next >